Bildtse Post

Bildtse bedrijven met een verhaal – Bildtse Post 13 augustus 1992
Een vak, waarin nog een behoorlijk stuk vakmanschap vereist is, is wel het slagersvak.
Het is ook heel vaak het geval dat zulke bedrijven overgaan van vader op zoon, die opvolging van vader op zoon is echter wel behoorlijk op de tocht komen te staan, nu het middenstander zijn niet meer zo’n aantrekkelijk beroep is. Vooral de kleine middenstanders kunnen zich vaak moeilijk handhaven. In het slagersbedrijf was het vanzelfsprekend dat het hele gezin meewerkte in de zaak. Vlees werd n.l. steeds bezorgd en wat lag er meer voor de hand , dan dat de kinderen als bezorger werden ingeschakeld. In het slagersbedrijf van Eize Bijlsma te st. Annaparochie was dat ook het geval: alle 3 zonen werden vleesbezorger voor hun vader. Zelf kwam Eize Bijlsma echter niet uit een slagersgezin, want zijn vader was veldwachter in Stiens. Vandaar dat zoon Eize jongste knecht werd bij Slager Brolsma in Stiens. Het slagersvak trok hem echt aan en hij werd een echte vakman.

In 1908 trad Eize Bijlsma in het huwelijk met Aafke Veldema en hij zocht toen een pand waarin hij het slagersvak kon uitoefenen. Dat vond hij in Sint Annaparochie aan het Zuideinde, de straat die nu de naam Warmoesstraat draagt. Het was het derde pand vanaf de grote hoek waar later Boekhandel Schottmann was gevestigd en waar nu de familie Poelstra woont.

Drie zonen
Een slager heette toen “vleeshouwer”, zoals ook de naam boven de deur aangaf. al vrij spoedig kregen eize en Aafke kinderen. In totaal 3 zonen: Nico, Jan en Berend. De foto, die in die eerste tijd werd genomen en bij dit verhaal is afgedrukt, is mislijdend, want het heeft er alle schijn van , dat het echtpaar Bijlsma rijk gezegend was met kinderen en dat ze zelfs een groot aantal dochters hadden. Dat is dus niet het geval, maar het nemen van een foto was in het begin van deze eeuw een grote bijzonderheid en wie in de buurt was, liet de kans om “op ‘e foto te komen” natuurlijk niet voorbij gaan.

transportfiets_jan-bijlsmaNiet optimaal
De omstandigheden in het slagerspand aan het begin van de Warmoesstraat waren echter niet om over naar huis te schrijven. Stelt u zich dat eens voor: als er een koe of een varken geslacht moest worden, moest alles eerst uit de winkel worden gesleept, ook het hakblok en de toonbank om zo ruimte voor het slachten te maken. ‘t was overigens geen vetpot, want voor een pond vet spek beurde de slager 25 cent. Het vlees moest met de hondenkar bij de klanten worden gebracht. Van een transportfiets was toen nog geen sprake en de hondenkar was dus het aangewezen vervoersmiddel voor zulk werk.

Een ander pand
Het was dus geen wonder dat Eize Bijlsma om zag naar een ander pand waar hij voldoende ruimte had om te slachten en waar hij ook plaats had voor het stallen van vee. En hij kreeg vrij spoedig de kans om het pand van een zekere Heringa te kopen. dat lag veel meer naar het zuiden op het Zuideinde en het bood meerdere voordelen. Er konden 12 stuks vee worden gestald, zodat Eize in staat was zelf vee dat voor het slachten in aanmerking kwam te houden. Het achterste gedeelte leende zich zeer goed voor het inrichten van een slachthuis en voorin, naast de woonkamer, kon een winkel worden gemaakt. Op die manier werd het nieuwe pand volledig ingericht als slagerij, al moest men zich van de winkel ook weer niet veel voorstellen, want het grootste gedeelte van het vlees moest worden uitgevent.

Maar weer gelyk?
De zonen werden intussen groter en de tijd kwam dat zij werden ingeschakeld om “bestel op te halen” en het vlees te bezorgen. De hondekar werd afgeschaft en er kwamen transportfietsen voor in de plaats, waarmee Nico, Jan en Berend de straat werden opgestuurd. Een slager moest dus altijd “bestel ophalen” en in de regel werd daarbij altijd weinig gesproken. Het ging meestal zo van: “maar weer gelyk?”, waarop de huisvrouw dan antwoordde met “Ja”. Dat was voor de slager voldoende. Een enkele keer, bijv. als de vrouw visite kreeg, kwam daar verandering in. Het gebeurde soms, dat de bestelophalende slager en de huisvrouw elkaar niet eens zagen. Bij de deur werd dan geroepen: “maar weer gelyk?” en mevrouw riep dan “Ja” terug!

De transportfietsen waren uitgerust met een bagagedrager op de voorvork voor het stuur en daarop ruste een grote rieten korf, waarin heel wat bestellingen konden worden opgeborgen. Maar vlees is zwaar en het was fysiek vaak een hele toer in de juiste koers te blijven.

Smetteloos wit
Daarbij was het een wet van Meden en Perzen, dat de vleesbezorger gekleed was in een smetteloze witte kiel. Voor moeder Bijlsma was het een behoorlijke opgave om steeds maar te zorgen voor kraakheldere witte jassen. Vooral in de twintiger jaren was dit niet altijd even gemakkelijk want wasmachines of iets dergelijks waren er toen nog niet. Geloof maar dat er behoorlijk geboend moest worden op de kleren van de man en zonen om een goed resultaat te krijgen. Niettemin kweet mevr. Bijlsma zich goed van haar taak, want wat er ook is veranderd, bij vlees en vleeswaren was en is een goede hygiëne een eerste vereiste.

Niet allemaal slager
De fietsende slagersknecht is intussen volledig uit het dorpsbeeld verdwenen en er zijn maar heel weinig slagers meer die hun vlees bezorgen. Het moet nu allemaal afgehaald worden uit de winkel en de huisvrouw kan nu met eigen ogen het werk van de vakman volgen. Overigens wordt niet elke zoon van een slager ook weer slager. Twee zonen van Eize beproefden hun geluk in de melkhandel: Nico en Jan werden beiden melkboer. Zij zagen het slagersvak blijkbaar niet zo zitten. Berend was de enige die het bedrijf van zijn vader wilde voortzetten. Berend trouwde in 1945 met Femechien Venema en woonde van toen af in de slagerij. In die tijd moest nog steeds alle vlees worden uitgevent en geloof maar dat er toen lange dagen moesten worden gemaakt. Voordat het vlees kon worden uitgevent moest er geslacht worden en vooral een slager die zijn eigen koeien slachtte moest vroeg uit de veren. In het eerste na zijn trouwen kon Berend nog bogen op hulp van zijn vader – Eize Bijlsma overleed in 1963 – die het vak uiteraard nog niet verleerd was, maar hij beschikte niet over 3 zonen die met de korf de straat op konden. Hij moest de bezorging dus alleen doen. Er kwam echter wel een zoon, maar het duurde nog heel wat jaren voor die in aanmerking kwam voor het bezorgen van vlees. Veel van het “bestelophalen” kon nu echter per telefoon worden afgedaan. Vooral de boeren midden in het veld , die bijna allemaal telefoon hadden, bestelden op deze manier. Maar….het moest later natuurlijk wel bezorgd worden.

Slagersvakschool
Zoon Auke kwam reeds als jongen bij vader Berend in het bedrijf en was er dus weer sprake van opvolging. Auke werd eerst volledig ingeschakeld bij de bezorging, terwijl hij daarnaast door zijn vader in het slagersvak werd opgeleid. een opleiding aan de slagersvakschool maakte van hem een complete vakman.

St. AnnaparochieAl langer dan zeventig jaar
Al langer dan zeventig jaar wordt nu in het oude, vertrouwde pand aan de Warmoesstraat het slagersvak uitgeoefend en Auke Bijlsma is van plan deze traditie nog jarenlang voort te zetten, al dient het pand dan niet meer als woonhuis. Auke heeft namelijk het bedrijf van wijlen Keimpe Sinnema – ‘de blikkene plaats’ – in de Stannebuurster Zuidhoek gekocht en daar heeft de familie Bijlsma zich ondertussen metterwoon gevestigd. Hinderwet
Hier is gelegenheid te over voor het stallen van vee. iets wat in de Warmoesstraat niet meer mogelijk is door de bepalingen van de Hinderwet. Slagerij Bijlsma is een begrip geworden in St. Annaparochie en na 84 jaar is het nog steeds een bedrijf met vakmanschap. De jongste telg uit het geslacht Bijlsma verdiend aller achtig en het bedrijf is een sierraad voor het dorp St. Annaparochie. Wij wensen Auke in ieder geval veel geluk toe met de voortzetting van dit ambachtelijke familiebedrijf.